Vakantie

In een tijd dat wij zwoegend en zwetend in lange files langs de Europese routes naar het Zuiden staan, is het verleidelijk om nog eens terug te denken aan de ‘goeie ouwe tijd’ dat vakantie voor de meeste Nederlanders betekende dat ze naar een bos in Otterlo fietsten om daar een weekje vanuit een houten huisje naar de bomen te gaan zitten kijken. Àls ze dat al deden want voor lang niet ieder gezin paste zo’n pretje in het budget. Het was de tijd waarin veel werknemers nog 5,5 dag per week werkten en aan het eind daarvan hun loon in een bruin envelopje meekregen.

In die tijd bleef voor de kruidenier zijn omzet zomer en winter stabiel. Het geld werd – op die ene week na – het hele jaar thuis uitgegeven en dus niet op de camping waar sommigen tegenwoordig het halve jaar verblijven.

Tekening: Mieke van den Dungen

Verplichte sluiting

Vakantie werd in het na-oorlogs ontwakend Nederland wel steeds meer als een belangrijke sociale verworvenheid gezien. Zó belangrijk dat kruideniers vanuit de lokale wetgeving werden verplicht om minstens één week per jaar hun winkeldeur gesloten te houden. Je werd geacht in overleg met je collega’s in de buurt een keus voor de datums te maken en kwam terecht in een rooster waarop door de overheid nauwlettend werd toegezien.

Tekening: Mieke van den Dungen

Voor het grootwinkelbedrijf werd geen uitzondering gemaakt. Dit was dus typisch een beleid waarin de kleine ondernemer de hand boven het hoofd gehouden werd; eigenlijk een maatregel in het verlengde van de winkelsluitingswet die destijds nog streng werd gehandhaafd.

Zo’n weekje verplicht dicht hád wel wat. Je zag als gevolg daarvan nog wel eens klanten van een ander aan je toonbank. Als de aantrekkelijkheid van jouw zaak groter was dan die van je concullega leverde zoiets nog wel eens een ‘transfer’ op. Dat maakte iets van de gemiste omzet dan weer goed.

Henk Lemckert

Meer lezen in de serie Herinneringen van een kruidenier?

Translate »