Ooit was er een tijd dat er binnen de gekrochten van de levensmiddelenhandel veel gepraat en geschreven werd over een fenomeen dat werd aangeduid als de wet op de ‘Verticale Prijsbinding’. De vakpers kalkte er menige openingspagina over vol. Jaren lang heeft het de gemoederen bezig gehouden en voor veel opwinding gezorgd. Waar ging het helemaal over?
Ongewenst prijsbederf
Ooit, in de jaren kort na de oorlog, was binnen het economische tij van die dagen de behoefte ontstaan om ongewenst prijsbederf tegen te gaan met behulp van een door de overheid ingestelde regeling die detaillisten verbood een artikel ónder de door de fabrikant vastgestelde prijs te verkopen.
Als een rolletje Maria kaakjes van Verkade dus ƒ 1,15 moest kosten, mocht je het niet voor ƒ 0,99 verkopen. Die regeling werd juridisch ondersteund. Fabrikanten hadden soms anonieme controleurs in dienst die bij herhaalde overtredingen een advocaat op je af stuurden met de strenge opdracht deze illegale bezigheid onmiddellijk stop te zetten.

Overtreding
Je kreeg bij zo’n overtreding dus als het ware de politie aan de deur. Het grootwinkelbedrijf kwam als eerste in het geweer tegen deze – naar haar mening – overbodige bescherming voor de kleinhandel en forceerde met allerlei prikacties een doorbraak door op grote schaal de wet te overtreden. Hoewel de fabrikanten aanvankelijk partij kozen voor de kleinere ondernemer door de regeling te blijven verdedigen, haakten ze tijdens de zeventiger jaren één voor één af.
Het heeft velen destijds behoorlijk gefrustreerd maar deze wet paste echt niet meer binnen de handelspraktijk van die dagen. Heineken was destijds één van de laatsten die ophield zich met de verkoopprijs van een blikje bier te bemoeien.
Inmiddels is het verschijnsel niet alleen van het veld verdwenen maar zelfs verboden. De bal is dus de andere kant op gaan rollen. Naar mijn weten is de boekhandel nog de enige handelskolom waar een soortgelijke wetgeving nog aan de orde is.
Henk Lemckert
Meer lezen in de serie Herinneringen van een kruidenier?
